Transplantatie

Een transplantatie is het vervangen van een slecht of geheel niet meer functionerend orgaan van een patiënt, meestal door dat van een donor. Het lichaam beschouwt vreemde cellen als een vijandige infectie. Normaal is dit een goedaardig mechanisme, waardoor ziekten voorkomen worden, maar bij een transplantatie is het een groot probleem. Soms is de patiënt donor voor zichzelf, bijvoorbeeld bij huidtransplantaties. In dat geval zal geen afstoting optreden. Om te weten of het te transplanteren weefsel niet zal afgestoten worden, wordt in een laboratorium het weefseltype van het donororgaan bepaald. Deze informatie wordt opgeslagen in een databank, zodat snel het juiste donorweefsel kan teruggevonden worden in de weefselbank. Als er een acute afstoting tegen het nieuwe lichaamsvreemde orgaan plaatsvindt, gebeurt dit meestal in de eerste zes tot twaalf maanden na de transplantatie. Bij een acute afstoting kunnen antilichamen geproduceerd worden die zich tegen het orgaan richten. Orgaanschade door plaatselijke ontstekingsreacties zijn het gevolg. Ook na deze eerste periode blijft de kans op afstoting van het orgaan bestaan. De kans op een acute afstoting is weliswaar klein geworden, maar chronische afstoting kan nog steeds wel plaatsvinden. Chronische afstoting is het langzaam minder worden van de orgaanfunctie. Wel blijft het nodig dat de patiënt de rest van zijn leven dagelijks een aantal anti-afstotingsmedicijnen inneemt. Hierdoor is men wel vatbaarder voor andere simpele infecties zoals een verkoudheid of griep.